Mens = ziel

Er is nauwelijks een onderwerp te bedenken waarover eeuwen lang zoveel verwarring, onbegrip en fantasieën is ontstaan dan over het wezen van de mens. Nu, in dit nieuwe tijdperk, zijn door Bahá'u'lláh al die sluiers weggenomen en is (eindelijk) een glasheldere beschrijving beschikbaar van het wezen van de mens en zijn plaats in de schepping. De tekst hieronder is bedoeld als een inleiding en eerste aanzet voor verdere studie van dit fascinerende onderwerp. Er zijn 6 korte hoofdstukken:
1) De menselijke geest of ziel
2) De menselijke natuur
3) Dood: een menselijke fantasie
4) Vijf geestelijke niveaus, werkzaam in de wereld
5) Hemel en hel?
6) Citaten

1) De menselijke geest of ziel
De mens is een uniek, dubbel wezen, met een combinatie van twee totaal verschillende soorten eigenschappen:
a)  het lichaam van de mens is typisch biologisch, materieel, tijdelijk - in alle opzichten vergelijkbaar met een dier.
b)  maar wat een mens tot mens maakt zijn niet lichamelijke, maar ‘innerlijke’ eigenschappen, zoals bewustzijn, persoonlijkheid, verstand, gevoelsleven, spiritualiteit, creativiteit, willen, kiezen, besluiten en vele andere. Al die geestelijke (= niet materiële) eigenschappen zijn uiteraard geen deel van het lichaam en worden er evenmin door geproduceerd, simpelweg omdat die eigenschappen niet in de wereld van de materie voorkomen. Er moet dus wel een andere, niet-materiële bron van die kenmerkende mens-eigenschappen zijn, en die wordt aangeduid met: menselijke geest of ziel.
En daardoor is de mens in feite een geestelijk wezen: de mens ís een ziel en hééft een lichaam.
Het lichaam maakt hoe iemand er uitziet, de geest of ziel bepaalt wat voor mens iemand is. Samen functioneren ziel en lichaam als een eenheid, vergelijkbaar met een ruiter op een paard, waarbij de ruiter (ziel) het paard (lichaam) 'bestuurt’, en zo in deze wereld 'beweegt'. Hoewel het de indruk geeft één geheel te zijn, is het toch een combinatie van twee: het is de ruiter die gebruik maakt van het paard - wie zou willen beweren dat de ruiter een stuk van het paard is?
Bahá’u’lláh gebruikt de metafoor van de zon om de relatie tussen ziel en lichaam te verduidelijken: “De ziel van de mens is de zon waardoor het lichaam wordt verlicht, en waaruit het zijn levenskracht onttrekt...”
De ziel is, anders dan het lichaam, niet materieel: niet een samenstelling van elementen, en dus ook niet onderhevig aan uiteenvallen of stoppen met bestaan. Zij staat “totaal buiten de orde van de materiële schepping”. Wat precies die onsterfelijke ziel is blijft dus voor ons verborgen. Zij is, zegt Bahá’u’lláh, “een teken Gods, een hemels juweel, waarvan de geleerdsten onder de mensen niet in staat zijn de realiteit te begrijpen en welks mysterie geen verstand… ooit zal kunnen ontrafelen.” Maar de uitwerkingen van die ziel zijn natuurlijk wel duidelijk waarneembaar in het doen en laten van mensen, en zijn tegelijkertijd een bewijs voor het bestaan van die ziel: het lichaam van een mens is “als een spiegel, zijn ziel is als de zon, en zijn geestelijke vermogens zijn als de stralen die uit de lichtbron komen.”
Het is door het toepassen van deze vermogens van de ziel dat de mens zich ontwikkelt. ‘Abdu’l-Bahá heeft gezegd dat de ziel “de werkelijkheid van de dingen kan ontdekken, de eigenschappen van elk wezen kan begrijpen, en kan doordringen in de mysteries van het bestaan. Alle wetenschappen, kennis, kunsten, wonderen, ontdekkingen en ondernemingen komen voort uit de toepassing van het intellect van de verstandelijke ziel”.
Hij zegt verder dat ooit deze dingen van de wereld “onbekende, goed bewaarde mysteriën en verborgen geheimen waren; de verstandelijke ziel ontdekte ze langzamerhand en bracht ze van het niveau van het onzichtbare en verborgene naar het rijk van het zichtbare.”

2) De menselijke natuur
“Met de hand van macht schiep Ik u en met de vingers van kracht vormde Ik u. In u legde Ik het wezen van Mijn licht”. Dit is een van de vele uitspraken van Bahá’u’lláh die de werkelijkheid van de mens beschrijven. Dit thema van het edel zijn van de mens loopt als een rode draad door de Bahá’í Geschriften. Daarmee wordt niet het bestaan van een lagere natuur ontkend. In ieder van ons zijn eigenschappen die wij delen met het dierenrijk, en die krijgen de overhand als wij de ontwikkeling van onze geestelijke eigenschappen, zoals vriendelijkheid, naastenliefde, rechtvaardigheid, eerlijkheid, oprechtheid, betrouwbaarheid, enz. verwaarlozen.
‘Abdu’l-Bahá zegt: “In de mens zijn twee naturen aanwezig; zijn geestelijke of hogere natuur en zijn stoffelijke of lagere natuur. Met de éne nadert hij God en met de andere leeft hij alleen voor de wereld. In de mens bevinden zich de tekenen van deze beide naturen.”
Ieder mens heeft de mogelijkheid om de eigenschappen van God te weerspiegelen. Dit is de betekenis van dat de mens is geschapen naar Gods beeld. “Want in hem [de mens] zijn alle attributen en namen van God latent geopenbaard in een mate die geen ander geschapen wezen heeft overtroffen”.
Eén van de krachten die ons helpen om onze geestelijke eigenschappen te ontwikkelen is een aangeboren verlangen naar kennis, en dat brengt ons ertoe te zoeken naar een beter begrip van de werkelijkheid in al haar aspecten: van het doel en de zin van het leven, van de maatschappij, van de mensheid, en van het hele universum, om maar enkele te noemen.
‘Abdu’l-Bahá verklaart: “De eerste lering van Bahá’ú’lláh is de plicht voor iedereen om de werkelijkheid te onderzoeken. Wat betekent onderzoek naar de werkelijkheid? Dit betekent dat men alle dingen van horen zeggen moet vergeten en zelf de waarheid moet onderzoeken, want hij weet niet of uitspraken die hij hoort in overeenstemming zijn met de realiteit of niet. Als hij waar dan ook de waarheid of de werkelijkheid vindt, moet hij daaraan vasthouden en al het andere laten varen en afdanken; want buiten de werkelijkheid is er niets dan bijgeloof en verbeelding.”
Dit geldt speciaal voor godsdienstige zaken, waar zoveel invloeden spelen van cultuur en andere vormen van overgeërfde, door mensen bedachte ideeën: "... Ik zeg u: weegt in de balans van rede en wetenschap zorgvuldig alles af wat u als religie wordt aangeboden. Als het deze test doorstaat, aanvaardt het dan, want het is de waarheid! Zo niet, verwerpt het dan, want het is onwetendheid!"
Bahá’u’lláh heeft geschreven dat "de mens zichzelf behoort te kennen en behoort te leren inzien wat tot verhoging en verlaging, tot glorie of vernedering, tot rijkdom of armoede leidt”, en ergens anders, dat “als we ieder geschapen ding overpeinzen, zullen wij waarlijk getuige zijn van ontelbare volmaakte wijsheden en ontelbare nieuwe en wonderbaarlijke waarheden leren".

3) Dood: een menselijke fantasie
Het leven van elk individu begint bij de conceptie, wanneer de ziel zich verbindt met het embryo. Die verbinding is niet materieel; de ziel zit niet in het lichaam, neemt geen materiële ruimte in. Bij het overlijden wordt die verbinding verbroken omdat het lichaam niet langer functioneert, en zal de ziel zelfstandig blijven vooruitgaan op een eeuwige reis in een andere, geestelijke wereld, in de richting van volmaaktheid.
“Te denken dat na de dood van het lichaam de geest vergaat” , heeft  ‘Abdu’l-Bahá gezegd “is als zich voor stellen dat een vogel in een kooi het leven verliest als de kooi stuk gaat, hoewel de vogel niets te vrezen heeft van het stukgaan van de kooi. Ons lichaam is als de kooi en de geest is als de vogel...als de kooi stukgaat, blijft de vogel voortleven en bestaan. Zijn gevoelens zullen zelfs sterker zijn, zijn waarnemingsvermogen scherper en zijn geluk zal zijn toegenomen...”.
De wereld hierna, schrijft Bahá’u’lláh, “verschilt evenveel van deze wereld als deze wereld verschilt van die van het kind dat nog in de moederschoot is”. Net zoals de buik van de moeder voorziet in de omstandigheden voor onze  eerste lichamelijke ontwikkeling, zo is de materiële wereld de arena waarin wij onze persoonlijkheid en de geestelijke eigenschappen ontwikkelen die wij nodig hebben op onze verdergaande reis. Nog een opmerkelijk aspect van deze prachtige analogie is dat het ongeboren kind zich totaal niet bewust is van de 'buitenwereld' - met al die schoonheid, geuren en kleuren, bewegingsruimte, mogelijkheden, enz. - waarin het straks geboren wordt, terwijl het in de buik van de moeder gedurende zijn gehele bestaan al door die 'buitenwereld' wordt omgeven. Net zo kunnen wij in ons huidige bestaan, de aardse wereld als onze 'moederbuik' zien waar we in leven, en waaromheen onze volgende wereld zich bevindt.
In dit licht bezien, is het beslist onterecht om de dood te zien als een 'grimmig einde aan ons bestaan' of als een 'verloren strijd', want het gaat hier - denk aan het ongeboren kind - in feite om een 'nieuwe geboorte' naar een wereld waar wij voor bestemd zijn, met oneindig veel meer mogelijkheden. 'Abdu'l-Bahá schrijft: "Door zijn onwetendheid vreest de mens de dood; maar de dood waar hij voor terugdeinst, is een verzinsel en absoluut onwerkelijk; die is slechts menselijke fantasie." Bahá’u’lláh verwijst ernaar als een “boodschapper van vreugde”. Hij verklaart: “Gij zijt Mijn rijk en Mijn rijk vergaat niet, waarom vreest gij uw ondergang? Gij zijt Mijn licht en Mijn licht zal nimmer worden gedoofd, waarom vreest gij uw uitdoving? Gij zijt Mijn glorie en Mijn glorie verbleekt niet. Gij zijt Mijn kleed en Mijn kleed zal nimmer verslijten.”
Nog (veel) meer bevrijdende citaten staan in menu Literatuur, onder: Citaten over: leven na dit leven

4) Vijf geestelijke niveaus, werkzaam in de wereld
De Bahá’í Geschriften gebruiken het woord ‘geest’ om te verwijzen naar bepaalde krachten en mogelijkheden die in de verschillende rijken van bestaan werken. Hoewel de precieze aard van deze geestelijke krachten of krachtenvelden onbekend is, zijn de effecten ervan glashelder. Er worden 5 aspecten van 'geest' beschreven:
De groeikracht, of 1) “plantengeest”, die verschijnt in het plantenrijk en die zich ook manifesteert in de hogere niveaus van leven. Maar hoe volmaakt ook de groei van een boom of plant moge zijn, die heeft geen weet van de hogere vermogens van de zintuigen die zich voordoen in het dierenrijk, en die ontstaan door 2) de "dierengeest". Een dier ziet, hoort, ruikt, proeft en voelt, en leeft in feite ook binnen die 'zintuig-wereld'.
Daarmee is een dier, merkte ‘Abdu’l-Bahá op, “een gevangene van de wereld van de natuur en heeft geen besef van datgene dat binnen en buiten de natuur ligt; het dier heeft geen gevoel voor geestelijke zaken, de zegeningen van bewustzijn zijn hem onthouden, het is onbewust van de wereld van God en niet in staat van de natuurwetten af te wijken.”
In de mens zijn alle eigenschappen van planten- en dierengeest aanwezig, maar vooral ook een uniek, nog veel hoger vermogen: 3) de ‘menselijke geest’. Daaruit ontstaan de typisch menselijke vermogens, die boven de materiële wereld uitstijgen, zoals de verstandelijke vermogens van denken, begrijpen en het voorstellingsvermogen. Daarmee kan de mens - en alleen de mens - kennis verkrijgen van het zichtbare en het onzichtbare. De vooruitgang van de mensheid in geestelijke en materiële kennis – op het terrein van bijvoorbeeld wetenschappelijke voortgang, de ontwikkeling van bestuurssystemen, technische innovatie, en de opbloei van prachtige artistieke projecten – zijn bewijzen van de kracht van die unieke menselijke geest.
Maar om in staat te zijn kennis van God aan te leren, over zaken als oorsprong, bedoeling, toekomst en zingeving, moeten mensen gebruik maken van nog een ander, nog hoger vermogen dat hen vrij ter beschikking staat, en dat wordt aangeduid met: 4) de "geest van geloof". ‘Abdu’l-Bahá legt uit: “de menselijke geest wordt niet, tenzij bijgestaan door de geest van geloof, bekend gemaakt met de goddelijke geheimen en de hemelse werkelijkheden. Hij is als een spiegel die, alhoewel zuiver, gepolijst en glanzend, nog steeds licht nodig heeft. Niet voordat een zonnestraal zijn licht erop werpt, kan hij de hemelse geheimen ontdekken”. In een andere passage heeft Hij de geest van geloof omschreven als “het vermogen dat de aardse mens hemels maakt en de onvolmaakte mens volmaakt”.
Deze geest van geloof, dit "licht" of de "zonnestraal" waarover 'Abdu'l-Bahá hierboven spreekt, is afkomstig vanuit het hoogste niveau van geest in deze wereld van bestaan.  Dat is de onbegrensde goddelijke invloed die alle bestaan mogelijk maakt, onderhoudt en verlicht, en die aangeduid wordt met 5) de "Heilige Geest". Dit is de bemiddelaar tussen God en Zijn schepping. De werkelijkheid van God Zelf zal altijd buiten het begrip van de menselijke geest blijven en de "Heilige Geest" is het Middel waarmee God op het niveau van de schepping werkzaam en kenbaar is. Net zoals onze zon 'zelf' niet afdaalt naar de aarde, maar het de zonnestralen zijn, die de levengevende uitwerking van de zon op de aarde te brengen.
Het is ook deze Heilige Geest waarmee God zich aan de mens openbaart, niet rechtstreeks, maar via Zijn Manifestaties (Profeten), die we kennen als de Stichters van de wereldgodsdiensten. Bahá'u'lláh schrijft: "Het doel van God met de schepping van de mens was en zal altijd zijn, hem in staat te stellen zijn Schepper te kennen en Zijn tegenwoordigheid te bereiken", en aangezien rechtstreeks contact onmogelijk is, heeft God er voor gezorgd dat Zijn "Vertegenwoordigers", deze Manifestaties "in de koninkrijken van hemel en aarde" verschijnen. De Manifestaties van God zijn daarmee één, en de enige gezaghebbende Bron van kennis van God, in tegenstelling tot wat mensen daarover door de eeuwen heen hebben bedacht.
Doordat via die Manifestaties de kracht van de Heilige Geest werkzaam is, werden Zij de Grote Opvoeders van de mensheid. ‘Abdu’l-Bahá legt uit dat elke keer dat een Manifestatie van God verschijnt, door de kracht van de Heilige Geest “de wereld wordt vernieuwd en een nieuwe cyclus begint. Het lichaam van de wereld der mensheid kleedt zich met een nieuw gewaad. Het is te vergelijken met de lente, bij iedere nieuwe lente ondergaat de wereld telkens een verandering. Als het lenteseizoen aanbreekt, worden de zwarte aarde, de velden en de wildernissen groen en komen tot bloei en allerlei bloemen en zoet geurende kruiden gaan groeien, de bomen krijgen nieuw leven, en er verschijnen nieuwe vruchten en een nieuwe cyclus vangt aan.”

6) Hemel en hel?
Door de eeuwen heen heeft de mensheid nagedacht over hoe de relatie is tussen wat men doet in deze wereld en de consequenties daarvan in de wereld hierna. Bepaalde culturen hebben zich 'de hemel' ingebeeld: een paradijs waar zij die het verdienden worden beloond, en daartegenover 'de hel': een angstaanjagende onderwereld waarin de zondaars worden gestraft. De Bahá’í-leringen stellen dat zo'n hemel of hel niet bestaat, en benadrukken de eeuwig voortgaande, geestelijke reis van de ziel in de richting van volmaaktheid. Zij maken duidelijk dat verwijzingen naar ‘hemel’ en ‘hel’ in de Heilige Geschriften van voorgaande religies als symbolisch moeten worden gezien, en dat die naar een toestand van nabijheid of veraf zijn van God verwijzen. ‘Abdu’l-Bahá heeft gezegd dat wanneer mensen “worden verlicht door de stralen van de Zon van Werkelijkheid en geadeld door alle deugden, beschouwen zij dit als de grootste beloning en zij weten dat dit het ware paradijs is." Evenzo beschouwen zij het als een geestelijke straf… om in de wereld der natuur gevangen te zijn, door materiële zaken van God gescheiden te zijn, wreed te zijn en onwetend, onzedelijk te leven en door zwakheden in beslag genomen te zijn.
In bepaalde religieuze tradities is het idee ‘hemel’ ook wel gebruikt als verwijzing naar een toekomstige wereld van vrede, harmonie en gerechtigheid:  de ‘hemel op aarde’.  Inderdaad wordt een dergelijke tijd in veel culturen en beschavingen verwacht. De Bahá’í Geschriften leggen uit dat door/met de komst van Bahá'u'lláh de tijd voor de vervulling van die beloften, nu is gekomen. "De gehele wereld,” heeft Bahá’u’lláh geschreven, “verkeert thans in een staat van zwangerschap. De dag nadert waarop ze haar edelste vruchten zal hebben voortgebracht, wanneer uit haar de hoogste bomen, de betoverendste bloesems en de meest hemelse zegeningen zullen zijn voortgekomen".
Over de praktische invulling van die nieuwe maatschappelijke orde heeft Shoghi Effendi o.a. geschreven:
“Nationale wedijver, haat en intriges zullen ophouden te bestaan, terwijl rassenvriendschap, begrip en samenwerking de plaats zullen innemen van rassenhaat en vooroordeel. De oorzaken van godsdiensttwisten zullen voorgoed verdwijnen, economische barrières en beperkingen zullen volledig worden afgeschaft en buitensporige klassentegenstellingen zullen vervagen. Uiterste armoede aan de ene kant en grove opeenhoping van privébezit aan de andere kant zullen verdwijnen. De reusachtige krachtsinspanningen, verkwist en verspild aan oorlog, zij het economisch of politiek, zullen gewijd worden aan die doeleinden, welke de reeks van uitvindingen en de technische ontwikkelingen zullen vergroten, de productiviteit van de mens zullen toenemen, aan het uitbannen van ziekte, de uitbreiding van wetenschappelijk onderzoek, het verhogen van het gezondheidspeil, het verscherpen en verfijnen van de menselijke geest, het exploiteren van ongebruikte en niet vermoede hulpbronnen op aarde, het verlengen van de levensduur van de mens en aan de bevordering van ieder hulpmiddel dat het intellectuele, morele en geestelijke leven van het gehele mensenras kan stimuleren.”

7) Citaten
Hieronder is een kleine selectie van passages uit de Bahá’í Geschriften met de ziel als onderwerp:

O ZOON VAN GEEST! Met de blijde tijding van licht begroet Ik u. Verheug u! Tot de hof van heiligheid roep Ik u, verblijf daarin, dat gij voor immer in vrede kunt leven.
Bahá'u'lláh, De Verborgen Woorden I,33

Weet waarlijk dat de ziel een teken Gods is, een hemels juweel, waarvan de geleerdsten onder de mensen niet in staat zijn de realiteit te begrijpen en welks mysterie geen verstand, hoe scherpzinnig ook, ooit zal kunnen ontrafelen. De ziel is de eerste onder al het geschapene die de voortreffelijkheid van zijn Schepper kenbaar maakt, de eerste die Zijn heerlijkheid erkent, Zijn waarheid aanhangt en zich voor Hem in aanbidding neerbuigt...
Bahá'u'lláh, Bloemlezing LXXXII

Het doel van God met de schepping van de mens was en zal altijd zijn, hem in staat te stellen zijn Schepper te kennen en Zijn tegenwoordigheid te bereiken. Van dit voortreffelijke oogmerk, dit hoogste doel getuigen op ondubbelzinnige wijze alle hemelse Boeken en de goddelijk geopenbaarde en belangrijke Geschriften...
Bahá'u'lláh, Bloemlezing XXIX

Ga snel vooruit op de pad van heiligheid en treed de hemel van verbondenheid met Mij binnen. Zuiver uw hart door het polijsten van uw geest en spoed u naar de hof van de Allerhoogste.
Bahá'u'lláh, De Verborgen Woorden, II-8

Wanneer de vruchten van de boom verschijnen en rijpen, weten wij dat de boom goed is; wanneer de boom geen vrucht zou dragen, dan was hij een nutteloos groeisel zonder enig doel! Wanneer een ziel het geestelijk leven in zich draagt, dan brengt zij goede vruchten voort en wordt een goddelijke boom.
'Abdu'l-Bahá, Toespraken in Parijs, 31

In deze wereld moet hij zich voorbereiden op het leven in het hiernamaals. Datgene wat hij nodig heeft in de wereld van het Koninkrijk moet hier worden verkregen.
'Abdu'l-Bahá, Promulgation of Universal Peace, 81

De behoefte aan een waar geestelijk bewustzijn,  dat het leven van de mensen doordringt en motiveert, is overal op de wereld zeer groot. Geen enkele mate van bestuurlijke procedures of het krampachtig vasthouden aan regels kan de plaats innemen van deze ziel-eigenschap, deze geestelijke aard die het wezenlijke van de mens is.
Shoghi Effendi, brief 25/04/1945

O ZOON VAN GEEST! Mijn eerste raad is deze: bezit een rein, warm en stralend hart, dat een aloude, onvergankelijke en eeuwige heerschappij de uwe zij.
Bahá'u'lláh, De Verborgen Woorden, I-1

O ZOON VAN GEEST! Ik schiep u rijk, waarom maakt gij u arm? Edel vormde Ik u, waarom vernedert gij u? Uit het wezen van kennis gaf Ik u aanzijn, waarom zoekt gij verlichting bij iemand anders dan Mij? Uit de klei der liefde kneedde Ik u, waarom houdt gij u met een ander bezig? Richt uw blik op uzelf, opdat gij Mij bestendig in u vindt, krachtig, machtig en bijzich-bestaand.
Bahá'u'lláh, De Verborgen Woorden, I-13

De werkelijkheid van de mens is zijn denkvermogen, niet zijn stoffelijk lichaam. De denkkracht en de dierlijke kracht werken naast elkaar. Hoewel de mens deel uitmaakt van de dierenwereld, bezit hij een denkvermogen dat ver uitsteekt boven dat van alle andere geschapen wezens.
Indien de gedachten van een mens zich voortdurend richten op hemelse onderwerpen, dan wordt hij gelijk een heilige, indien anderzijds zijn denken zich niet verheft, maar benedenwaarts is gericht om zich op wereldse zaken te concentreren, dan wordt hij hoe langer hoe meer materialistisch, totdat hij in een toestand geraakt die weinig beter is dan die van het dier.
'Abdu'l-Bahá, Toespraken in Parijs, 2

O Mijn dienaren! Treurt niet, wanneer in deze dagen op aarde door God dingen zijn beschikt en geopenbaard die niet met uw wensen stroken, want dagen van gelukzalige vreugde en hemelse verrukking staan u voorzeker te wachten. Heilige werelden vol geestelijke heerlijkheid zullen aan uw oog worden onthuld. Gij zijt door Hem bestemd in deze en in de andere wereld hun weldaden deelachtig te worden, hun vreugden te genieten en een deel van hun sterkende genade te verkrijgen. Gij zult dit alles ongetwijfeld bereiken.
Bahá'u'lláh, Bloemlezing CLIII

O ZOON VAN DE ALLERHOOGSTE! Ik maakte de dood een boodschapper van vreugde voor u. Waarom treurt gij? Ik schiep het licht om zijn luister over u uit te stralen. Waarom sluit gij u ervan af?
Bahá'u'lláh, De Verborgen Woorden, I-32

De dood reikt aan ieder overtuigde gelovige de kelk die het ware leven is. Hij schenkt blijdschap en is de vreugdebode. Hij verleent de gave van het eeuwige leven.
Bahá'u'lláh, Bloemlezing CLXV

Gezegend de ziel die op het uur van scheiding van het lichaam bevrijd is van de ijdele verbeeldingen der wereldse mensen. Zulk een ziel beweegt en leeft naar de Wil van haar Schepper en gaat het allerhoogste Paradijs binnen.
Bahá'u'lláh, Bloemlezing LXXXI

Weet waarlijk dat de ziel na gescheiden te zijn van het lichaam zich verder ontwikkelt tot zij de nabijheid van God bereikt, in een staat en toestand die noch het verloop van jaren en eeuwen noch de veranderingen en wisselvalligheden van deze wereld kunnen wijzigen. De ziel zal voortbestaan zolang als het Koninkrijk van God, Zijn soevereiniteit, Zijn heerschappij en macht duren. Zij zal de tekenen en eigenschappen van God manifesteren en Zijn goedertierenheid en milddadigheid openbaren.
Bahá'u'lláh, Bloemlezing LXXXI

Vrije bewerking/vertaling van: www.bahai.org –> What Bahá’is Believe –> The Life of the Spirit –> The Human Soul