Eenheid in de wereld

“...Nu, met de komst van Bahá’u’lláh, staat het menselijk ras op de drempel van zijn volwassenheid. Wereldeenheid is eindelijk mogelijk. Een wereldwijde orde die de naties verenigt met instemming van de mensheid is het enige adequate antwoord op de destabiliserende krachten die de wereld bedreigen.
Hoewel wereldeenheid mogelijk – nee, onvermijdelijk – is, kan deze uiteindelijk niet worden bereikt zonder onvoorwaardelijke acceptatie van de eenheid van de mensheid, …. “de spil rond welke alle leringen van Bahá’u’lláh draaien”...

De verwezenlijking van een dergelijke visie vereist vroeg of laat een historische prestatie van staatsmanschap van de leiders van de wereld. Helaas, de wil om een poging te doen tot deze prestatie ontbreekt nog steeds. De mensheid is in de greep van een identiteitscrisis, nu verschillende volkeren en groepen worstelen met het definiëren van zichzelf, van hun plaats in de wereld en van hoe zij zich moeten gedragen. Zonder een visie van gedeelde identiteit en een gemeenschappelijk doel, vervallen ze in concurrerende ideologieën en machtsstrijd.
Groepsidentiteiten worden door de schijnbaar ontelbare variaties van “wij” en “zij” steeds krapper en onderling tegenstrijdig gedefinieerd. In de loop der tijd heeft deze versplintering in uiteenlopende belangengroepen de samenhang binnen de samenleving zelf verzwakt. Er wordt geleurd met tegenstrijdige opvattingen over de superioriteit van een bepaald volk, met uitsluiting van de waarheid dat de mensheid op een gemeenschappelijke tocht is waarbij allen hoofdpersonen zijn.
Overweeg hoe zeer zo’n versplinterde opvatting van de menselijke identiteit verschilt van de opvatting die voortkomt uit erkenning van het één-zijn van de mensheid. Vanuit dit oogpunt verrijkt de verscheidenheid die de menselijke familie kenmerkt haar één-zijn juist, in plaats van dat deze wordt tegengesproken. Eenheid bevat in de Bahá’í-visie, het essentiële concept verscheidenheid, waarmee het zich onderscheidt van uniformiteit.
Door liefde voor alle mensen, en door minder belangrijke loyaliteiten ondergeschikt te maken aan het hoogste belang van de mensheid, kan de eenheid van de wereld verwezenlijkt worden, en kunnen de onmetelijke hoeveelheid uitingen van menselijke diversiteit hun hoogste vervulling vinden.

Het bevorderen van eenheid, het in overeenstemming brengen van tegenstrijdige elementen en het in elk hart koesteren van een onbaatzuchtige liefde voor de mensheid - dat is de taak van religie. Er bestaan voor religieuze leiders buitengewone mogelijkheden om broederschap en samenhorigheid te cultiveren, maar diezelfde leiders kunnen door het gebruiken van hun invloed om het vuur van fanatisme en vooroordeel op te wekken ook aanzetten tot geweld.
Over religie zijn Bahá’u’lláh’s woorden nadrukkelijk: “...maak het niet de oorzaak van onenigheid en strijd”, waarschuwt Hij. Vrede, voor “allen die op aarde wonen”, is een van “de beginselen en verordeningen van God”... “

[ uit: Brief januari 2019, Universele Huis van Gerechtigheid ]