Wat is een mens?

Al eeuwen lang heerst er verwarring, onbegrip en fantasie over het wezen van de mens. "Ken uzelf!" dat weten we, ja, maar wáár halen we die kennis dan vandaan? Nou, in ieder geval niet uit onszelf, vanuit wat wijzelf hierover denken en verzinnen, gewoonweg omdat de mens zichzelf niet heeft gemaakt. En hoe zouden wij dan moeten weten wat wij ZIJN?
In dit bijzondere, nieuwe tijdperk is er via Bahá'u'lláh voor het eerst in de geschiedenis een heldere beschrijving beschikbaar van het wezen van de mens, zijn doel en zijn plaats in de schepping.
De tekst hieronder is gebaseerd op de bahá'í-literatuur en bedoeld als een inleiding voor verdere studie. Er zijn 3 hoofdstukken, bij elkaar best een flink lange tekst, maar dat zal niemand verbazen met onderwerpen waarover bibliotheken zijn volgeschreven - zoals deze:
1) De mens is een geestelijk wezen, met een lichaam
2) De menselijke natuur
3) Vijf geestelijke niveaus, werkzaam in de wereld

1) De mens is een geestelijk wezen, met een lichaam
Als we naar de mens en zijn gedragingen kijken, zien we overduidelijk een uniek, dubbel wezen, met een combinatie van twee totaal verschillende soorten eigenschappen:
a)  lichamelijke eigenschappen: typisch materieel/biologisch (d.w.z. afkomstig uit cellen, organen, spieren, enz.) en vergelijkbaar met de eigenschappen van een dier. Bijvoorbeeld groeien, beweging, voeding, 5 zintuigen, voortplanting, enz.
b)  niet-lichamelijke (geestelijke) eigenschappen. Dit zijn 'innerlijke', niet-materiële eigenschappen, zoals: bewustzijn, verstand, persoonlijkheid, karakter, gevoelsleven, spiritualiteit, creativiteit, tijdsbesef, humor, willen, besluiten en vele, vele andere. En goed beschouwd zijn het juist déze heel bijzondere geestelijke eigenschappen die een mens écht tot een mens maken.
Deze groep eigenschappen, waarmee de mens zich onderscheidt van alle andere levensvormen, zijn géén deel van het lichaam en worden evenmin door het lichaam geproduceerd. Want hoe zouden cellen, organen, botten, enz. ooit bewustzijn of denkkracht kunnen produceren? Die eigenschappen zitten er eenvoudig niet in! Net zo min als een bouwdoos van LEGO-stenen ooit een goed idee zal hebben of een gedicht zal schrijven of zal lachen om een goede grap of zal weten hoe laat het is. Ja, ons lichaam is ook een 'bouwdoos van elementen' en zal zélf (inclusief de hersenen) geen bewustzijn kunnen produceren, geen denkvermogen, geen begrijpen, geen creativiteit, geen willen, geen liefde, geen blijdschap, geen ....., enz., want die zaken overstijgen duidelijk de materie; dit zijn allemaal geestelijke eigenschappen en geen chemische of fysische eigenschappen: deze eigenschappen zitten niet in atomen, niet in ons lichaam.
En tóch zien we die geestelijke mens-eigenschappen in ieder mens en daarom móét er dus wel een andere bron bestaan dan het lichaam, en die bron wordt aangeduid met de naam: menselijke geest of ziel. En het zijn dus de eigenschappen van die ziel die bepalen wie iemand ís - dus wat voor een persoon iemand is. En dáár gaat het toch om, bij een mens?
In feite is een mens dus een geestelijk wezen, verpakt in / verbonden aan een materieel lichaam:
de mens ís een ziel en hééft een lichaam.
Dat dubbele karakter is de sleutel voor het begrijpen van het wezen van een mens en als we dit eenmaal weten, wordt dat ook steeds meer herkenbaar.
Want zo weet iedereen bijvoorbeeld wel het verschil tussen lichaam-pijn (kiespijn, hoofdpijn,...) en ziel-pijn (ongelukkig zijn, verdrietig voelen,...), inderdaad: afkomstig uit twee verschillende werelden. Maar toch: als we niet verder kijken dan alleen de buitenkant, lijkt het wel alsof alles wat iemand voelt of doet, door het lichaam wordt geproduceerd. Maar bij nader inzien klopt dat dus niet. Een liefdevol, warm en wijs mens is geen liefdevol, warm en wijs lichaam, nee, het is de ziel die via het lichaam die eigenschappen tot uitdrukking brengt. 
Dit is enigszins vergelijkbaar met een radio die laat horen wat de zender uitstraalt. De radio zelf maakt dus niet de uitzending, het is een ontvanger en weergever van de zender. Niemand gelooft toch dat er in de radio zelf een rockband of een stadion vol voetbalfans zal zitten?
Of met weer een ander voorbeeld: als we luisteren naar muziek, dan horen we het instrument, genieten ervan en worden erdoor 'geraakt' - maar het is de artiest ('er achter') die de muziek produceert, niet het instrument.

Ja, het is voor mensen blijkbaar zo beschikt dat zij op het toneel van deze wereld worden geboren/gezet (!) en dan daar hun unieke, tijdelijke rol in het toneelstuk spelen. Hoe die mens er uitziet (zijn kostuum) heeft íe niet in de hand, maar zijn rol is zijn eigen creatie.
Voor ons functioneren in deze wereld is ons lichaam dus onmisbaar. Sterker nog: zonder lichamen zouden er niet eens (nieuwe) mensen kunnen ontstaan. Want pas als er (als gevolg van de acties van de aanstaande ouders) een nieuw lichaam ontstaat, ontstaat daarbij ook een 'nieuwe ziel' -  preciezer gezegd: pas dan ontstaat de mogelijkheid om met dat lichaam een bewuste persoonlijkheid te vormen. Want met dat lichaam kan die nieuwe mens in deze wereld zijn rol gaan spelen: handelen, relaties aangaan, ervaringen opdoen, spreken, lezen, leren en zich zo als persoonlijkheid ontwikkelen.
En als het lichaam dan uiteindelijk niet meer 'werkt' - dat is wat wij 'overlijden' noemen - wordt de verbinding tussen ziel en lichaam vanzelfsprekend opgeheven. Het dode lichaam blijft hier achter, en de mens zelf (ziel) verdwijnt voor de achterblijvers in deze wereld dus "uit het zicht". Het lichaam valt uiteen, maar de ziel / mens zal niet (en kan niet) worden aangetast en gaat in zijn eigen, geestelijke wereld van bestaan verder met een eeuwigdurend ontwikkelingsproces.
Goed beschouwd is ieder mens - als geestelijke wezen - in deze aardse wereld alleen maar 'even' te gast, in de eerste fase van zijn bestaan, zeg maar: op ontwikkelings-stage!

Bahá’u’lláh gebruikt de zon als voorbeeld om de relatie tussen ziel en lichaam te verduidelijken: “De ziel van de mens is de zon waardoor het lichaam wordt verlicht, en waaruit het zijn levenskracht onttrekt...”
Hoewel het bestaan van de ziel wordt bewezen door de effecten ervan, is niet bekend wat die ziel in feite is. Bahá’u’lláh zegt daarover: “Weet waarlijk dat de ziel een teken van God is, een hemels juweel, waarvan de geleerdsten onder de mensen niet in staat zijn de realiteit te begrijpen en welks mysterie geen verstand, hoe scherpzinnig ook, ooit zal kunnen ontrafelen.
Door het toepassen van de vermogens van de ziel kan de mens zich ontwikkelen. ‘Abdu’l-Bahá heeft gezegd dat de ziel
“de werkelijkheid van de dingen kan ontdekken, de eigenschappen van elk wezen kan begrijpen, en kan doordringen in de mysteries van het bestaan. Alle wetenschappen, kennis, kunsten, wonderen, ontdekkingen en ondernemingen komen voort uit de toepassing van het intellect van de verstandelijke ziel”. En dat al deze dingen van de wereld ooit “onbekende, goed bewaarde mysteriën en verborgen geheimen waren; de verstandelijke ziel ontdekte ze langzamerhand en bracht ze van het niveau van het onzichtbare en verborgene naar het rijk van het zichtbare.”

2) De menselijke natuur
In de loop van zijn bestaan in deze wereld kan de mens zijn persoonlijkheid in twee richtingen ontwikkelen. ‘Abdu’l-Bahá zegt: “In de mens zijn twee naturen aanwezig; zijn geestelijke of hogere natuur en zijn stoffelijke of lagere natuur. Met de éne nadert hij God en met de andere leeft hij alleen voor de wereld. In de mens bevinden zich de tekenen van deze beide naturen.”
Ieder mens heeft de mogelijkheid om zijn/haar talenten en eigenschappen te ontwikkelen door scholing/oefening en een actief sociaal leven. Maar er is meer: mensen hebben een aangeboren verlangen naar 'diepere' kennis, naar kennis over het doel en de zin van ons leven, van de mensheid, en van het hele universum, en natuurlijk: kennis van God, het overkoepelende, scheppende bestaansniveau. En gegevens daarover kunnen we niet zelf, op basis van (wetenschappelijk) onderzoek, ontdekken. Want het gaat hier over óórzaak en bedoeling: 'waaróm bestaat de wereld en welke plaats heeft de mens daarin?' en dáár staan wij met lege handen. Want wij kunnen natuurlijk niet bóven de wereld en onszelf uitstijgen en daarom vinden wij nooit de antwoorden die wij zoeken. Ondanks dat er bibliotheken vol geschreven zijn door medemensen die meenden (of nog steeds menen) antwoorden te hebben op die kernvragen: dat is in principe onmogelijk. Nee, díe gegevens moeten wel rechtstreeks afkomstig zijn uit de Oorsprong, uit de Bron van alle bestaan, die God wordt genoemd. En dat is ook de reden dat sinds alle tijden de verschillende Manifestaties van God (Profeten) verschijnen, die we kennen als de Stichters van de grote godsdiensten, zoals Abraham, Mozes, Boeddha, Christus, Mohammad en voor deze tijd: Bahá'u'lláh. "De godsdiensten die aan de mensheid gebracht zijn door deze opeenvolgende geestelijke lichten, hebben de voornaamste verbinding gevormd tussen de mensheid en die uiteindelijke werkelijkheid (God), en hebben het vermogen van de mensheid om geestelijke ontwikkeling te boeken samen met sociale vooruitgang, gestimuleerd en verfijnd."

“De eerste lering van Bahá’ú’lláh is dat iedereen de werkelijkheid moet onderzoeken. Wat betekent onderzoek naar de werkelijkheid? Dit betekent dat men alle dingen van horen zeggen moet vergeten en zelf de waarheid moet onderzoeken, want hij weet niet of uitspraken die hij hoort in overeenstemming zijn met de realiteit of niet. Als hij waar dan ook de waarheid of de werkelijkheid vindt, moet hij daaraan vasthouden en al het andere laten varen en afdanken; want buiten de werkelijkheid is er niets dan bijgeloof en verbeelding.”
En dit geldt speciaal voor het  onderzoeken van godsdienstige zaken, waar zo vaak invloeden spelen van cultuur en andere vormen van overgeërfde, door mensen bedachte ideeën: "... Ik zeg u: weegt in de balans van rede en wetenschap zorgvuldig alles af wat u als religie wordt aangeboden. Als het deze test doorstaat, aanvaardt het dan, want het is de waarheid! Zo niet, verwerpt het dan, want het is onwetendheid!"

3) Vijf geestelijke niveaus, werkzaam in de wereld
De wereld om ons heen is opgebouwd uit materie, uit de bouwstenen van de natuur, die wij: chemische elementen noemen. Deze ruim 100 verschillende elementen hebben ieder apart (zoals bijvoorbeeld: koolstof, zuurstof, stikstof, calcium, ijzer, goud,...) of in verbindingen (bijvoorbeeld: water, voedsel, CO2, hout, keukenzout, aardgas, gesteenten, plastic,...) hun eigen, vaste eigenschappen. Die kunnen wij mensen daarom bestuderen en beschrijven (wetenschap) en er gebruik van maken (techniek).
Maar in de levende wezens werken er duidelijk extra eigenschappen of krachten, die gewoonweg niet in de samenstellende elementen aanwezig zijn. De precieze aard van deze niet-materiële energieën = geestelijke krachten is niet waarneembaar en dus onbekend: want wát precies stuurt een zaadje om uit te groeien tot een boom? Wat is nu toch de bron van ons verstand, waarmee wij bóven de materiële wereld kunnen uitstijgen? Of: waarom kunnen stenen zich eigenlijk niet voortplanten? (gelukkig maar).
Vaak zijn wij zo gewend aan de uitwerking van deze, in feite onverklaarbare levenskrachten dat we ze in het dagelijks leven niet meer 'zien', behalve als we er speciaal op gaan letten, bijvoorbeeld door een tekst als deze te lezen.

De Bahá’í Geschriften beschrijven vijf verschillenden aspecten van 'geest' of 'geestkracht', werkzaam in steeds hogere, steeds meer complexe en krachtigere niveaus van bestaan:

1) “plantengeest” of groeikracht, de 'basis-vorm' van geestkracht, die als eerste verschijnt in het plantenrijk. Een groot aantal niet-elementen eigenschappen wordt hierdoor zichtbaar, zoals groei/ontwikkeling, soorten en voortplanting. Maar hoe volmaakt ook die levenskracht in het plantenrijk moge zijn, een stap hoger in niveau is een extra vermogen werkzaam:

2) "dierengeest" of zintuigvermogen. Een dier ziet, hoort, ruikt, proeft en voelt, en reageert en beweegt op wat het waarneemt. Dieren hebben daarmee bewegingsvrijheid, maar leven in feite alleen binnen die 'zintuig-wereld'. Daarmee is een dier, merkte ‘Abdu’l-Bahá op, “een gevangene van de wereld van de natuur en heeft geen besef van datgene dat binnen en buiten de natuur ligt; het dier heeft geen gevoel voor geestelijke zaken, de zegeningen van bewustzijn zijn hem onthouden, het is onbewust van de wereld van God en niet in staat van de natuurwetten af te wijken.”
In de mens zijn alle eigenschappen van planten- en dierengeest aanwezig, maar de volgende geestkracht-niveaus zetten de mens op een onvergelijkbaar hoog niveau:

3) ‘menselijke geest’. Daaruit ontstaan de typisch menselijke vermogens, die boven de materiële wereld uitstijgen, zoals bijvoorbeeld bewustzijn, persoonlijkheid en de verstandelijke vermogens van denken, begrijpen en het voorstellingsvermogen. Daarmee kan de mens - en alleen de mens - kennis verkrijgen van het zichtbare en het onzichtbare. De vooruitgang van de mensheid in geestelijke en materiële kennis – op het terrein van bijvoorbeeld wetenschappelijke ontdekkingen, de ontwikkeling van de maatschappij, technische innovatie, en de opbloei van artistieke zaken – is een bewijs van de kracht van die unieke menselijke geest (ziel). Er wordt ook wel gezegd dat het wezen van de mens zijn denken is.
Maar het verstand - waarmee de mens aardse dingen overdenkt, begrijpt en er zich een beeld van vormt – is niet in staat op eigen kracht informatie over zijn oorsprong te ontdekken en te verwerken, informatie over de geestelijke, goddelijke werelden, aangezien het lagere het hogere niet kan omvatten. Nee, de mens heeft zichzelf niet gemaakt en de werelden van zijn maker en ontwerper liggen daarom buiten ('boven') zijn bereik. En om toch kennis van God te kunnen krijgen (niet: zelf ontdekken!) is nog een ander, hoger geestelijk vermogen werkzaam, specifiek voor de geestelijke groei van de mens, dat wordt aangeduid met:

4) "geest van geloof", met behulp waarvan een mens (ziel) – als hij daarvoor kiest – zich kan verbinden met God, en dat is het uiteindelijke doel van het bestaan van de mens en de kern van religieus geloof. Deze geestelijke verbinding kan zonder eind verdiept en verbreed worden met een steeds toenemend inzicht, beleving, innerlijk begrip en zekerheid.
Daarom wordt - als een uiting van de liefde van God tot de (individuele) mens - deze kennis vanuit de goddelijke werelden aan hem geschonken via de geest van geloof, afhankelijk van de inspanningen die de mens op dit pad doet. Op die manier kunnen liefde, innerlijke zekerheid, geestelijke eigenschappen en innerlijke visie in ieder mens groeien.
‘Abdu’l-Bahá legt uit:
“… Maar de menselijke geest kan niet bekend raken met de goddelijke mysteriën en de hemelse werkelijkheden, tenzij hij wordt bijgestaan door de geest van geloof. Hij is als een spiegel die weliswaar helder, glanzend en gepolijst is, maar nog steeds licht nodig heeft. Pas als er een straal zonlicht op valt, kan hij goddelijke mysteriën ontdekken”.
“De vierde soort geest is de hemelse geest, die de geest van geloof en de uitstortende genade van de Albarmhartige is. Deze geest komt voort uit de adem van de Heilige Geest en wordt, door een uit God geboren kracht, de oorzaak van eeuwig leven. Het is die kracht die de aardse ziel hemels en de onvolmaakte mens volmaakt maakt. Hij zuivert de onreinen, maakt de tong van de zwijgzamen los, heiligt de slaven van hartstocht en begeerte en verleent kennis aan de onwetenden.”

Het hoogste niveau van geest in deze wereld van bestaan is de onbegrensde goddelijke invloed die op elk moment alle bestaan mogelijk maakt, onderhoudt en verlicht, en die aangeduid wordt met:
5) "Heilige Geest". Dit is de verbindende kracht / invloed tussen God en Zijn schepping. Net zoals de zon zelf niet afdaalt naar de aarde, maar door middel van de zonnestralen de levengevende uitwerking van de zon op de aarde aankomt. Het is ook op deze manier dat God zich aan de mens openbaart, uiteraard niet rechtstreeks, maar via Zijn Manifestaties (Profeten), die we kennen als de Stichters van de wereldgodsdiensten, zoals onder meer Abraham, Mozes, Boeddha, Christus, Mohammad en voor de huidige tijd: Bahá'u'lláh.
Bahá'u'lláh schrijft: "Het doel van God met de schepping van de mens was en zal altijd zijn, hem in staat te stellen zijn Schepper te kennen en Zijn tegenwoordigheid te bereiken", en aangezien rechtstreeks contact onmogelijk is, heeft God er voor gezorgd dat Zijn "Vertegenwoordigers", deze Manifestaties "in de koninkrijken van hemel en aarde" verschijnen. De Manifestaties van God zijn daarmee de enige gezaghebbende Bron van kennis van God.
Doordat via die Manifestaties de kracht van de Heilige Geest werkzaam is, werden Zij de Grote Opvoeders van de mensheid. Daarom moeten ook de wereldgodsdiensten die achtereenvolgend zijn verschenen niet worden gezien als opzichzelfstaand en los van elkaar, maar vormen verschillende stadia in de geschiedenis van één godsdienst.
‘Abdu’l-Bahá legt uit dat elke keer dat een Manifestatie van God verschijnt, door de kracht van de Heilige Geest “de wereld wordt vernieuwd en een nieuwe cyclus begint. Het lichaam van de wereld der mensheid kleedt zich met een nieuw gewaad. Het is te vergelijken met de lente, bij iedere nieuwe lente ondergaat de wereld telkens een verandering. Als het lenteseizoen aanbreekt, worden de zwarte aarde, de velden en de wildernissen groen en komen tot bloei en allerlei bloemen en zoet geurende kruiden gaan groeien, de bomen krijgen nieuw leven, en er verschijnen nieuwe vruchten en een nieuwe cyclus vangt aan.”
De openbaring van Bahá'u'lláh wordt gezien als de meest recente (maar niet de laatste, er zal nooit een laatste zijn) en dus het meest relevant voor het huidige tijdperk.

-) Citaten
Hieronder is een kleine selectie van passages uit de Bahá’í Geschriften met de ziel als onderwerp:

O ZOON VAN GEEST! Met de blijde tijding van licht begroet Ik u. Verheug u! Tot de hof van heiligheid roep Ik u, verblijf daarin, dat gij voor immer in vrede kunt leven.
Bahá'u'lláh, De Verborgen Woorden I,33

Weet waarlijk dat de ziel een teken Gods is, een hemels juweel, waarvan de geleerdsten onder de mensen niet in staat zijn de realiteit te begrijpen en welks mysterie geen verstand, hoe scherpzinnig ook, ooit zal kunnen ontrafelen. De ziel is de eerste onder al het geschapene die de voortreffelijkheid van zijn Schepper kenbaar maakt, de eerste die Zijn heerlijkheid erkent, Zijn waarheid aanhangt en zich voor Hem in aanbidding neerbuigt...
Bahá'u'lláh, Bloemlezing LXXXII

Het doel van God met de schepping van de mens was en zal altijd zijn, hem in staat te stellen zijn Schepper te kennen en Zijn tegenwoordigheid te bereiken. Van dit voortreffelijke oogmerk, dit hoogste doel getuigen op ondubbelzinnige wijze alle hemelse Boeken en de goddelijk geopenbaarde en belangrijke Geschriften...
Bahá'u'lláh, Bloemlezing XXIX

Ga snel vooruit op de pad van heiligheid en treed de hemel van verbondenheid met Mij binnen. Zuiver uw hart door het polijsten van uw geest en spoed u naar de hof van de Allerhoogste.
Bahá'u'lláh, De Verborgen Woorden, II-8

Wanneer de vruchten van de boom verschijnen en rijpen, weten wij dat de boom goed is; wanneer de boom geen vrucht zou dragen, dan was hij een nutteloos groeisel zonder enig doel! Wanneer een ziel het geestelijk leven in zich draagt, dan brengt zij goede vruchten voort en wordt een goddelijke boom.
'Abdu'l-Bahá, Toespraken in Parijs, 31

In deze wereld moet hij zich voorbereiden op het leven in het hiernamaals. Datgene wat hij nodig heeft in de wereld van het Koninkrijk moet hier worden verkregen.
'Abdu'l-Bahá, Promulgation of Universal Peace, 81

De behoefte aan een waar geestelijk bewustzijn,  dat het leven van de mensen doordringt en motiveert, is overal op de wereld zeer groot. Geen enkele mate van bestuurlijke procedures of het krampachtig vasthouden aan regels kan de plaats innemen van deze ziel-eigenschap, deze geestelijke aard die het wezenlijke van de mens is.
Shoghi Effendi, brief 25/04/1945

O ZOON VAN GEEST! Mijn eerste raad is deze: bezit een rein, warm en stralend hart, dat een aloude, onvergankelijke en eeuwige heerschappij de uwe zij.
Bahá'u'lláh, De Verborgen Woorden, I-1

O ZOON VAN GEEST! Ik schiep u rijk, waarom maakt gij u arm? Edel vormde Ik u, waarom vernedert gij u? Uit het wezen van kennis gaf Ik u aanzijn, waarom zoekt gij verlichting bij iemand anders dan Mij? Uit de klei der liefde kneedde Ik u, waarom houdt gij u met een ander bezig? Richt uw blik op uzelf, opdat gij Mij bestendig in u vindt, krachtig, machtig en bijzich-bestaand.
Bahá'u'lláh, De Verborgen Woorden, I-13

De werkelijkheid van de mens is zijn denkvermogen, niet zijn stoffelijk lichaam. De denkkracht en de dierlijke kracht werken naast elkaar. Hoewel de mens deel uitmaakt van de dierenwereld, bezit hij een denkvermogen dat ver uitsteekt boven dat van alle andere geschapen wezens.
Indien de gedachten van een mens zich voortdurend richten op hemelse onderwerpen, dan wordt hij gelijk een heilige, indien anderzijds zijn denken zich niet verheft, maar benedenwaarts is gericht om zich op wereldse zaken te concentreren, dan wordt hij hoe langer hoe meer materialistisch, totdat hij in een toestand geraakt die weinig beter is dan die van het dier.
'Abdu'l-Bahá, Toespraken in Parijs, 2

O Mijn dienaren! Treurt niet, wanneer in deze dagen op aarde door God dingen zijn beschikt en geopenbaard die niet met uw wensen stroken, want dagen van gelukzalige vreugde en hemelse verrukking staan u voorzeker te wachten. Heilige werelden vol geestelijke heerlijkheid zullen aan uw oog worden onthuld. Gij zijt door Hem bestemd in deze en in de andere wereld hun weldaden deelachtig te worden, hun vreugden te genieten en een deel van hun sterkende genade te verkrijgen. Gij zult dit alles ongetwijfeld bereiken.
Bahá'u'lláh, Bloemlezing CLIII

O ZOON VAN DE ALLERHOOGSTE! Ik maakte de dood een boodschapper van vreugde voor u. Waarom treurt gij? Ik schiep het licht om zijn luister over u uit te stralen. Waarom sluit gij u ervan af?
Bahá'u'lláh, De Verborgen Woorden, I-32

De dood reikt aan ieder overtuigde gelovige de kelk die het ware leven is. Hij schenkt blijdschap en is de vreugdebode. Hij verleent de gave van het eeuwige leven.
Bahá'u'lláh, Bloemlezing CLXV

Gezegend de ziel die op het uur van scheiding van het lichaam bevrijd is van de ijdele verbeeldingen der wereldse mensen. Zulk een ziel beweegt en leeft naar de Wil van haar Schepper en gaat het allerhoogste Paradijs binnen.
Bahá'u'lláh, Bloemlezing LXXXI

Weet waarlijk dat de ziel na gescheiden te zijn van het lichaam zich verder ontwikkelt tot zij de nabijheid van God bereikt, in een staat en toestand die noch het verloop van jaren en eeuwen noch de veranderingen en wisselvalligheden van deze wereld kunnen wijzigen. De ziel zal voortbestaan zolang als het Koninkrijk van God, Zijn soevereiniteit, Zijn heerschappij en macht duren. Zij zal de tekenen en eigenschappen van God manifesteren en Zijn goedertierenheid en milddadigheid openbaren.
Bahá'u'lláh, Bloemlezing LXXXI