Wat is een mens?

Er is nauwelijks een onderwerp te bedenken waarover eeuwen lang zoveel verwarring, onbegrip en fantasie is ontstaan dan over het wezen van de mens. Nu, in dit nieuwe tijdperk, zijn door Bahá'u'lláh al die sluiers weggenomen en is voor het eerst een heldere beschrijving beschikbaar van het wezen van de mens, zijn doel en zijn plaats in de schepping.
De tekst hieronder is niet meer dan een uitnodiging, een eerste aanzet voor verdere studie van dit fascinerende onderwerp.
Er zijn 6 hoofdstukken, bij elkaar best een flink lange tekst, maar dat zal toch niemand verbazen, met een onderwerp als dit?
1) De mens is een geestelijk wezen, met een lichaam
2) De menselijke natuur
3) Dood: een menselijk verzinsel
4) Vijf geestelijke niveaus, werkzaam in de wereld
5) Hemel en hel?
6) Citaten

1) De mens is een geestelijk wezen, met een lichaam
Als we naar de mens en zijn gedragingen kijken, zien we overduidelijk een uniek, dubbel wezen, met een combinatie van twee totaal verschillende soorten eigenschappen:
a)  lichamelijke eigenschappen: typisch materieel/biologisch (afkomstig uit cellen, organen, spieren, enz.) en vergelijkbaar met eigenschappen van een dier, denk bijvoorbeeld aan groeien, beweging, voeding, zintuigen, voortplanting, enz.
b)  niet-lichamelijke eigenschappen, 'innerlijk'/niet-materieel, zoals: bewustzijn, verstand, persoonlijkheid, karakter, gevoelsleven, spiritualiteit, creativiteit, tijdsbesef, humor, willen, besluiten en vele, vele andere. En het zijn juist déze heel bijzondere eigenschappen die een mens écht tot een mens maken.
Deze b)-eigenschappen, waarmee de mens zich onderscheidt van alle andere levensvormen, zijn geen deel van het lichaam en worden evenmin door het lichaam geproduceerd. Dat kán gewoonweg niet omdat dat lichaam bestaat uit cellen, organen, botten, enz. en die zijn allemaal opgebouwd uit dezelfde standaard-elementen (atomen) waarmee alles in het heelal is opgebouwd. Ja, het lichaam is een elementen-bouwdoos.  En in die materiële wereld ligt alles vast in de natuurwetten en bestaat er geen enkele vorm van vrijheid. Net zo min als een bouwdoos van LEGO-stenen ooit een goed idee zal hebben of een gedicht zal schrijven. Nee, het menselijk lichaam (inclusief de hersenen) produceert geen bewustzijn, geen denkvermogen, geen begrijpen, geen creativiteit, geen willen, geen liefde, geen blijdschap, geen ....., enz., want die zaken overstijgen duidelijk de materie, die zitten niet in atomen.
Hetzelfde, maar iets anders gezegd: het feit dat mensen hun lichaam kunnen overzien, bestuderen, in kaart brengen en er voor zorgen resp. het kunnen behandelen, dat alles wijst erop dat dit denk- en onderzoekvermogen 'boven' het lichaam staat en er niet een deel van is. Het lichaam kan toch niet zelf medicijnen ontwikkelen of boeken over gezondheid schrijven?
Daarom móét er voor al die 'vrije' mens-eigenschappen wel een andere bron bestaan dan het lichaam, en die bron staat bekend als: de menselijke geest of ziel. En de eigenschappen van de ziel bepalen wie iemand ís. En dáár gaat het toch om, bij een mens?

Dus is de mens in feite een geestelijk wezen, verpakt in een materieel lichaam: de mens ís een ziel en hééft een lichaam.
Dát is de sleutel voor het begrijpen van het wezen van een mens en als we dit eenmaal weten, wordt dat steeds meer herkenbaar. Zo weet iedereen bijvoorbeeld het verschil tussen lichaam-pijn (kiespijn, hoofdpijn,...) en ziel-pijn (ongelukkig zijn, verdrietig voelen,...), inderdaad: afkomstig uit twee verschillende werelden.

Samen functioneren ziel en lichaam als één geheel. En daardoor lijkt het ook wel alsof het lichaam van de mens 'uit zichzelf' handelt, maar toch is het de ziel die tot uitdrukking komt met behulp van het lichaam. Want het lichaam werkt als een verbinding tussen twee verschillende werelden, en lijkt op een doorgeefluik tussen de geestelijke bestaanswereld van de ziel, en de materiële wereld waarin wij hier allen rondlopen. En die verbinding, dat doorgeefluik, is naar twee kanten open:
1 > > > de ziel 'stuurt' en het lichaam voert dat uit in deze wereld. Of, met nog een ander beeld: de ziel is als een radiozender die het signaal uitzendt, het lichaam is als de radio-ontvanger die daardoor 'tot leven' komt. Maar wat de radio laat horen komt niet uit de radio zelf, maar uit de zender!
2 < < < en andersom: de ervaringen van de ziel (mens) in deze wereld worden via het doorgeefluik naar de ziel 'teruggeleid' en verwerkt.
En zo kan de mens 'hier' - het leven op aarde - handelen, ervaringen opdoen, spreken, lezen, leren en zich ontwikkelen.
Goed beschouwd is de mens als geestelijke wezen (ziel) in dit aardse leven alleen maar te gast - zolang zijn lichaam functioneert!

Bahá’u’lláh gebruikt de zon als voorbeeld om de relatie tussen ziel en lichaam te verduidelijken: “De ziel van de mens is de zon waardoor het lichaam wordt verlicht, en waaruit het zijn levenskracht onttrekt...”
Hoewel het bestaan van de ziel wordt bewezen door de effecten ervan, is niet bekend wat die ziel in feite is. Bahá’u’lláh zegt daarover: “Weet waarlijk dat de ziel een teken van God is, een hemels juweel, waarvan de geleerdsten onder de mensen niet in staat zijn de realiteit te begrijpen en welks mysterie geen verstand, hoe scherpzinnig ook, ooit zal kunnen ontrafelen.
Door het toepassen van de vermogens van de ziel kan de mens zich ontwikkelen. ‘Abdu’l-Bahá heeft gezegd dat de ziel
“de werkelijkheid van de dingen kan ontdekken, de eigenschappen van elk wezen kan begrijpen, en kan doordringen in de mysteries van het bestaan. Alle wetenschappen, kennis, kunsten, wonderen, ontdekkingen en ondernemingen komen voort uit de toepassing van het intellect van de verstandelijke ziel”. En dat al deze dingen van de wereld ooit “onbekende, goed bewaarde mysteriën en verborgen geheimen waren; de verstandelijke ziel ontdekte ze langzamerhand en bracht ze van het niveau van het onzichtbare en verborgene naar het rijk van het zichtbare.”

2) De menselijke natuur
‘Abdu’l-Bahá zegt: “In de mens zijn twee naturen aanwezig; zijn geestelijke of hogere natuur en zijn stoffelijke of lagere natuur. Met de éne nadert hij God en met de andere leeft hij alleen voor de wereld. In de mens bevinden zich de tekenen van deze beide naturen.”
Ieder mens heeft de mogelijkheid om zijn/haar talenten en eigenschappen te ontwikkelen door scholing/oefening en een actief sociaal leven, en om zo te leren handelen als een "verstandelijke ziel".
Maar er is meer: mensen hebben een aangeboren verlangen naar 'diepere' kennis, naar kennis over het doel en de zin van ons leven, van de mensheid, en van het hele universum, en natuurlijk: kennis van God. En al dit type gegevens kunnen we niet zelf, uit (wetenschappelijk) onderzoek ontdekken; want de vraag is niet 'wat zijn de eigenschappen van de wereld?' maar: 'waaróm bestaat deze wereld?' en daar staan wij met lege handen. Want omdat wij er zelf deel van uitmaken kunnen we niet bóven de wereld uitstijgen en vinden we dus geen antwoorden. Ondanks dat er bibliotheken vol geschreven zijn door mensen die meenden/menen een antwoord te hebben op die kernvragen, is dat in principe onmogelijk. Nee, díe gegevens moeten wel afkomstig zijn uit de Oorsprong, de Bron van alle bestaan, die God wordt genoemd. En dat is de reden dat sinds alle tijden de verschillende Manifestaties van God (Profeten) verschijnen, die we kennen als de Stichters van de grote godsdiensten, zoals Abraham, Mozes, Boeddha, Christus, Mohammad en voor deze tijd: Bahá'u'lláh. De godsdiensten die aan de mensheid gebracht zijn door deze opeenvolgende geestelijke lichten, hebben de voornaamste verbinding gevormd tussen de mensheid en die uiteindelijke werkelijkheid (God), en hebben het vermogen van de mensheid om spirituele ontwikkeling te boeken samen met sociale vooruitgang, gestimuleerd en verfijnd.

“De eerste lering van Bahá’ú’lláh is dat iedereen de werkelijkheid moet onderzoeken. Wat betekent onderzoek naar de werkelijkheid? Dit betekent dat men alle dingen van horen zeggen moet vergeten en zelf de waarheid moet onderzoeken, want hij weet niet of uitspraken die hij hoort in overeenstemming zijn met de realiteit of niet. Als hij waar dan ook de waarheid of de werkelijkheid vindt, moet hij daaraan vasthouden en al het andere laten varen en afdanken; want buiten de werkelijkheid is er niets dan bijgeloof en verbeelding.”
En dit geldt speciaal voor het  onderzoeken van godsdienstige zaken, waar zo vaak invloeden spelen van cultuur en andere vormen van overgeërfde, door mensen bedachte ideeën: "... Ik zeg u: weegt in de balans van rede en wetenschap zorgvuldig alles af wat u als religie wordt aangeboden. Als het deze test doorstaat, aanvaardt het dan, want het is de waarheid! Zo niet, verwerpt het dan, want het is onwetendheid!"

3) Dood: een menselijk verzinsel
Het leven van elk individu begint bij de conceptie: het moment waarop een nieuw lichaam (embryo) ontstaat en de ziel zich daarmee verbindt. Daarna ontwikkelt de mens zich lichamelijk en geestelijk door de stadia van baby, kind tot volwassen mens. Het lichaam heeft een beperkte levensduur en bij het overlijden wordt, doordat het lichaam niet langer functioneert, de verbinding met de ziel verbroken en zal die ziel zelfstandig blijven voortbestaan op een eeuwige reis in een andere, geestelijke wereld. De mens (ziel) heeft daardoor wel een begin, maar geen einde!
“Te denken dat na de dood van het lichaam de geest vergaat” , heeft  ‘Abdu’l-Bahá gezegd “is als zich voor stellen dat een vogel in een kooi het leven verliest als de kooi stuk gaat, hoewel de vogel niets te vrezen heeft van het stukgaan van de kooi. Ons lichaam is als de kooi en de geest is als de vogel...als de kooi stukgaat, blijft de vogel voortleven en bestaan. Zijn gevoelens zullen zelfs sterker zijn, zijn waarnemingsvermogen scherper en zijn geluk zal zijn toegenomen...”.
En zo is het doel van dit leven "hier", de voorbereiding van de ziel (mens) op het volgende leven. Die wereld hierna, schrijft Bahá’u’lláh, “verschilt evenveel van deze wereld als deze wereld verschilt van die van het kind dat nog in de moederschoot is”. Net zoals de buik van de moeder voorziet in de omstandigheden voor onze eerste lichamelijke ontwikkeling, zo is de materiële wereld de plaats waar wij onze persoonlijkheid en de geestelijke eigenschappen ontwikkelen die wij nodig hebben op onze verdergaande reis. Nog een ander aspect van deze opmerkelijke analogie is dat het ongeboren kind zich totaal niet bewust is van de 'buitenwereld' - met al die schoonheid, geuren en kleuren, bewegingsruimte, mogelijkheden, enz. - waarin het straks geboren wordt, terwijl het toch gedurende zijn gehele bestaan in de buik van de moeder al door die 'buitenwereld' wordt omgeven. Net zo kunnen wij in ons huidige bestaan, deze aardse wereld als onze 'moederbuik' zien, waaromheen onze volgende wereld zich bevindt zijn, ja, in feite zijn we dus nu al in zekere zin in die volgende, ons omringende, geestelijke wereld opgenomen!
Het is daarom een kwalijk, ontmoedigend en verkeerd idee om 'de dood' te zien als een 'grimmig einde aan ons bestaan' of als 'een verloren strijd', want het gaat hier - denk aan het ongeboren kind - in feite om een overgang vanuit deze wereld naar de wereld waarvoor wij al vanaf onze geboorte bestemd zijn, met oneindig veel meer mogelijkheden. 'Abdu'l-Bahá schrijft: "Het is door zijn onwetendheid dat de mens de dood vreest; maar de dood waar hij voor terugdeinst, is een verzinsel en absoluut onwerkelijk; die is slechts menselijke fantasie." Bahá’u’lláh verwijst naar de dood als een “boodschapper van vreugde”, en zegt: “Gij zijt Mijn rijk en Mijn rijk vergaat niet, waarom vreest gij uw ondergang? Gij zijt Mijn licht en Mijn licht zal nimmer worden gedoofd, waarom vreest gij uw uitdoving? Gij zijt Mijn glorie en Mijn glorie verbleekt niet. Gij zijt Mijn kleed en Mijn kleed zal nimmer verslijten.”
Meer teksten over 'de dood' leest u in: Citaten over: leven na dit leven

4) Vijf geestelijke niveaus, werkzaam in de wereld
De Bahá’í Geschriften gebruiken het woord ‘geest’ om te verwijzen naar bepaalde krachten en mogelijkheden die in de verschillende levensvormen hun uitwerkingen hebben. Hoewel de precieze aard van deze geestelijke krachten of krachtenvelden onbekend is, zijn de effecten ervan glashelder. En vaak zijn die effecten voor ons zo gewoon, dat we ze in het dagelijks leven niet meer 'zien', behalve als we er speciaal op gaan letten, bijvoorbeeld door een tekst als deze. Net zoals we volkomen gewend zijn geraakt aan de uitwerkingen van de zwaartekracht, terwijl we (eerlijk gezegd) geen idee hebben van wat die natuurkracht nu eigenlijk is.
Er worden 5 aspecten van 'geest' beschreven, werkzaam in steeds hogere, steeds krachtigere niveaus:
1) “plantengeest” of groeikracht, de 'laagste' vorm van geestkracht, die verschijnt in het plantenrijk en die zich ook manifesteert in hogere niveaus van leven. Maar hoe volmaakt ook de groei van bomen en planten mogen zijn, die hebben geen weet van de hogere vermogens die bestaan in het dierenrijk, onder invloed van:
2) "dierengeest" of zintuigvermogen. Een dier ziet, hoort, ruikt, proeft en voelt, en reageert op basis van die informatie. Een dier leeft in feite ook alleen binnen die 'zintuig-wereld'. Daarmee is een dier, merkte ‘Abdu’l-Bahá op, “een gevangene van de wereld van de natuur en heeft geen besef van datgene dat binnen en buiten de natuur ligt; het dier heeft geen gevoel voor geestelijke zaken, de zegeningen van bewustzijn zijn hem onthouden, het is onbewust van de wereld van God en niet in staat van de natuurwetten af te wijken.”
In de mens zijn alle eigenschappen van planten- en dierengeest aanwezig, maar vooral ook een uniek, nog veel hoger vermogen:
3) ‘menselijke geest’. Daaruit ontstaan de typisch menselijke vermogens, die boven de materiële wereld uitstijgen, zoals bijvoorbeeld bewustzijn, persoonlijkheid en de verstandelijke vermogens van denken, begrijpen en het voorstellingsvermogen. Daarmee kan de mens - en alleen de mens - kennis verkrijgen van het zichtbare en het onzichtbare. De vooruitgang van de mensheid in geestelijke en materiële kennis – op het terrein van bijvoorbeeld wetenschappelijke ontdekkingen, de ontwikkeling van de maatschappij, technische innovatie, en de opbloei van prachtige artistieke projecten – is een bewijs van de kracht van die unieke menselijke geest (ziel).
Maar om in staat te zijn kennis van God aan te leren moeten mensen gebruik maken van nog een ander, nog hoger vermogen dat wordt aangeduid met:
4) "geest van geloof", werkzaam op het terrein van religie, waarmee een ziel – als hij daarvoor kiest – zich kan verbinden met God, en dat is het uiteindelijke doel van het bestaan van de mens. Want de kern van religieus geloof is dat mystieke gevoel dat de ziel met God verbindt. Deze geestelijke verbinding kan o.a. via meditatie en gebed worden ontwikkeld.
‘Abdu’l-Bahá legt uit:
“de menselijke geest wordt niet, tenzij bijgestaan door de geest van geloof, bekend gemaakt met de goddelijke geheimen en de hemelse werkelijkheden. Hij is als een spiegel die, alhoewel zuiver, gepolijst en glanzend, nog steeds licht nodig heeft. Niet voordat een zonnestraal zijn licht erop werpt, kan hij de hemelse geheimen ontdekken”.
In een andere passage heeft Hij de geest van geloof omschreven als “het vermogen dat de aardse mens hemels maakt en de onvolmaakte mens volmaakt”.
De werking van de geest van geloof, dit "licht" of de "zonnestraal" waarover 'Abdu'l-Bahá hierboven spreekt, is afkomstig vanuit het hoogste niveau van geest in deze wereld van bestaan. Dat is de onbegrensde goddelijke invloed die alle bestaan mogelijk maakt, onderhoudt en verlicht, en die aangeduid wordt met:
5) "Heilige Geest". Dit is de verbindende kracht / invloed tussen God en Zijn schepping. Net zoals de zon zelf niet afdaalt naar de aarde, maar door middel van de zonnestralen de levengevende uitwerking van de zon op de aarde aankomt. Het is ook op deze manier dat God zich aan de mens openbaart, uiteraard niet rechtstreeks, maar via Zijn Manifestaties (Profeten), die we kennen als de Stichters van de wereldgodsdiensten, zoals onder meer Abraham, Mozes, Boeddha, Christus, Mohammad en voor de huidige tijd: Bahá'u'lláh.
Bahá'u'lláh schrijft: "Het doel van God met de schepping van de mens was en zal altijd zijn, hem in staat te stellen zijn Schepper te kennen en Zijn tegenwoordigheid te bereiken", en aangezien rechtstreeks contact onmogelijk is, heeft God er voor gezorgd dat Zijn "Vertegenwoordigers", deze Manifestaties "in de koninkrijken van hemel en aarde" verschijnen. De Manifestaties van God zijn daarmee de enige gezaghebbende Bron van kennis van God.
Doordat via die Manifestaties de kracht van de Heilige Geest werkzaam is, werden Zij de Grote Opvoeders van de mensheid. ‘Abdu’l-Bahá legt uit dat elke keer dat een Manifestatie van God verschijnt, door de kracht van de Heilige Geest “de wereld wordt vernieuwd en een nieuwe cyclus begint. Het lichaam van de wereld der mensheid kleedt zich met een nieuw gewaad. Het is te vergelijken met de lente, bij iedere nieuwe lente ondergaat de wereld telkens een verandering. Als het lenteseizoen aanbreekt, worden de zwarte aarde, de velden en de wildernissen groen en komen tot bloei en allerlei bloemen en zoet geurende kruiden gaan groeien, de bomen krijgen nieuw leven, en er verschijnen nieuwe vruchten en een nieuwe cyclus vangt aan.”
Daarom moeten ook de grote godsdiensten die achtereenvolgend zijn verschenen - en in de toekomst nog zullen verschijnen - niet worden gezien als uniek en opzichzelfstaand, maar vormen die tezamen één beschavingsproces, afkomstig uit één en dezelfde Bron.

6) Hemel en hel?
Door de eeuwen heen heeft de mensheid nagedacht over hoe de relatie is tussen wat men doet in deze wereld en de consequenties daarvan in de wereld hierna. Bepaalde culturen hebben zich 'de hemel' of 'het paradijs' ingebeeld, een plaats waar zij die het verdienden zullen worden beloond, en daartegenover 'de hel': een angstaanjagende onderwereld waarin de zondaars zullen worden gestraft. De Bahá’í-leringen stellen dat zo'n hemel of hel niet bestaat, en benadrukken de eeuwig voortgaande, geestelijke reis van iedere ziel in de richting van volmaaktheid. Zij maken duidelijk dat verwijzingen naar ‘hemel’ en ‘hel’ in de Heilige Geschriften van voorgaande religies als symbolisch moeten worden gezien, en dat die verwijzen naar een toestand van nabijheid of veraf zijn van God. ‘Abdu’l-Bahá heeft gezegd dat wanneer mensen “worden verlicht door de stralen van de Zon van Werkelijkheid en geadeld door alle deugden, beschouwen zij dit als de grootste beloning en zij weten dat dit het ware paradijs is." Evenzo beschouwen zij het als een geestelijke straf… om in de wereld der natuur gevangen te zijn, door materiële zaken van God gescheiden te zijn, wreed en oneerlijk te zijn of onwetend, onzedelijk te leven.

In bepaalde religieuze tradities is het begrip ‘hemel’ ook wel gebruikt als verwijzing naar een toekomstige wereld van vrede, harmonie en gerechtigheid: de ‘hemel op aarde’. Inderdaad wordt een dergelijke tijd in veel culturen en beschavingen verwacht. De Bahá’í Geschriften leggen uit dat door/met de komst van Bahá'u'lláh de tijd voor de vervulling van die beloften nu ten langen leste is gekomen. Het centrale thema van Zijn leringen is ook: de éénwording van de mensheid."De gehele wereld,” heeft Bahá’u’lláh geschreven, “verkeert thans in een staat van zwangerschap. De dag nadert waarop ze haar edelste vruchten zal hebben voortgebracht, wanneer uit haar de hoogste bomen, de betoverendste bloesems en de meest hemelse zegeningen zullen zijn voortgekomen".
Over de praktische invulling van die nieuwe maatschappelijke orde heeft Shoghi Effendi o.a. geschreven:
“Nationale wedijver, haat en intriges zullen ophouden te bestaan, terwijl rassenvriendschap, begrip en samenwerking de plaats zullen innemen van rassenhaat en vooroordeel. De oorzaken van godsdiensttwisten zullen voorgoed verdwijnen, economische barrières en beperkingen zullen volledig worden afgeschaft en buitensporige klassentegenstellingen zullen vervagen. Uiterste armoede aan de ene kant en grove opeenhoping van privébezit aan de andere kant zullen verdwijnen. De reusachtige krachtsinspanningen, verkwist en verspild aan oorlog, zij het economisch of politiek, zullen gewijd worden aan die doeleinden, welke de reeks van uitvindingen en de technische ontwikkelingen zullen vergroten, de productiviteit van de mens zullen toenemen, aan het uitbannen van ziekte, de uitbreiding van wetenschappelijk onderzoek, het verhogen van het gezondheidspeil, het verscherpen en verfijnen van de menselijke geest, het exploiteren van ongebruikte en niet vermoede hulpbronnen op aarde, het verlengen van de levensduur van de mens en aan de bevordering van ieder hulpmiddel dat het intellectuele, morele en geestelijke leven van het gehele mensenras kan stimuleren.”

7) Citaten
Hieronder is een kleine selectie van passages uit de Bahá’í Geschriften met de ziel als onderwerp:

O ZOON VAN GEEST! Met de blijde tijding van licht begroet Ik u. Verheug u! Tot de hof van heiligheid roep Ik u, verblijf daarin, dat gij voor immer in vrede kunt leven.
Bahá'u'lláh, De Verborgen Woorden I,33

Weet waarlijk dat de ziel een teken Gods is, een hemels juweel, waarvan de geleerdsten onder de mensen niet in staat zijn de realiteit te begrijpen en welks mysterie geen verstand, hoe scherpzinnig ook, ooit zal kunnen ontrafelen. De ziel is de eerste onder al het geschapene die de voortreffelijkheid van zijn Schepper kenbaar maakt, de eerste die Zijn heerlijkheid erkent, Zijn waarheid aanhangt en zich voor Hem in aanbidding neerbuigt...
Bahá'u'lláh, Bloemlezing LXXXII

Het doel van God met de schepping van de mens was en zal altijd zijn, hem in staat te stellen zijn Schepper te kennen en Zijn tegenwoordigheid te bereiken. Van dit voortreffelijke oogmerk, dit hoogste doel getuigen op ondubbelzinnige wijze alle hemelse Boeken en de goddelijk geopenbaarde en belangrijke Geschriften...
Bahá'u'lláh, Bloemlezing XXIX

Ga snel vooruit op de pad van heiligheid en treed de hemel van verbondenheid met Mij binnen. Zuiver uw hart door het polijsten van uw geest en spoed u naar de hof van de Allerhoogste.
Bahá'u'lláh, De Verborgen Woorden, II-8

Wanneer de vruchten van de boom verschijnen en rijpen, weten wij dat de boom goed is; wanneer de boom geen vrucht zou dragen, dan was hij een nutteloos groeisel zonder enig doel! Wanneer een ziel het geestelijk leven in zich draagt, dan brengt zij goede vruchten voort en wordt een goddelijke boom.
'Abdu'l-Bahá, Toespraken in Parijs, 31

In deze wereld moet hij zich voorbereiden op het leven in het hiernamaals. Datgene wat hij nodig heeft in de wereld van het Koninkrijk moet hier worden verkregen.
'Abdu'l-Bahá, Promulgation of Universal Peace, 81

De behoefte aan een waar geestelijk bewustzijn,  dat het leven van de mensen doordringt en motiveert, is overal op de wereld zeer groot. Geen enkele mate van bestuurlijke procedures of het krampachtig vasthouden aan regels kan de plaats innemen van deze ziel-eigenschap, deze geestelijke aard die het wezenlijke van de mens is.
Shoghi Effendi, brief 25/04/1945

O ZOON VAN GEEST! Mijn eerste raad is deze: bezit een rein, warm en stralend hart, dat een aloude, onvergankelijke en eeuwige heerschappij de uwe zij.
Bahá'u'lláh, De Verborgen Woorden, I-1

O ZOON VAN GEEST! Ik schiep u rijk, waarom maakt gij u arm? Edel vormde Ik u, waarom vernedert gij u? Uit het wezen van kennis gaf Ik u aanzijn, waarom zoekt gij verlichting bij iemand anders dan Mij? Uit de klei der liefde kneedde Ik u, waarom houdt gij u met een ander bezig? Richt uw blik op uzelf, opdat gij Mij bestendig in u vindt, krachtig, machtig en bijzich-bestaand.
Bahá'u'lláh, De Verborgen Woorden, I-13

De werkelijkheid van de mens is zijn denkvermogen, niet zijn stoffelijk lichaam. De denkkracht en de dierlijke kracht werken naast elkaar. Hoewel de mens deel uitmaakt van de dierenwereld, bezit hij een denkvermogen dat ver uitsteekt boven dat van alle andere geschapen wezens.
Indien de gedachten van een mens zich voortdurend richten op hemelse onderwerpen, dan wordt hij gelijk een heilige, indien anderzijds zijn denken zich niet verheft, maar benedenwaarts is gericht om zich op wereldse zaken te concentreren, dan wordt hij hoe langer hoe meer materialistisch, totdat hij in een toestand geraakt die weinig beter is dan die van het dier.
'Abdu'l-Bahá, Toespraken in Parijs, 2

O Mijn dienaren! Treurt niet, wanneer in deze dagen op aarde door God dingen zijn beschikt en geopenbaard die niet met uw wensen stroken, want dagen van gelukzalige vreugde en hemelse verrukking staan u voorzeker te wachten. Heilige werelden vol geestelijke heerlijkheid zullen aan uw oog worden onthuld. Gij zijt door Hem bestemd in deze en in de andere wereld hun weldaden deelachtig te worden, hun vreugden te genieten en een deel van hun sterkende genade te verkrijgen. Gij zult dit alles ongetwijfeld bereiken.
Bahá'u'lláh, Bloemlezing CLIII

O ZOON VAN DE ALLERHOOGSTE! Ik maakte de dood een boodschapper van vreugde voor u. Waarom treurt gij? Ik schiep het licht om zijn luister over u uit te stralen. Waarom sluit gij u ervan af?
Bahá'u'lláh, De Verborgen Woorden, I-32

De dood reikt aan ieder overtuigde gelovige de kelk die het ware leven is. Hij schenkt blijdschap en is de vreugdebode. Hij verleent de gave van het eeuwige leven.
Bahá'u'lláh, Bloemlezing CLXV

Gezegend de ziel die op het uur van scheiding van het lichaam bevrijd is van de ijdele verbeeldingen der wereldse mensen. Zulk een ziel beweegt en leeft naar de Wil van haar Schepper en gaat het allerhoogste Paradijs binnen.
Bahá'u'lláh, Bloemlezing LXXXI

Weet waarlijk dat de ziel na gescheiden te zijn van het lichaam zich verder ontwikkelt tot zij de nabijheid van God bereikt, in een staat en toestand die noch het verloop van jaren en eeuwen noch de veranderingen en wisselvalligheden van deze wereld kunnen wijzigen. De ziel zal voortbestaan zolang als het Koninkrijk van God, Zijn soevereiniteit, Zijn heerschappij en macht duren. Zij zal de tekenen en eigenschappen van God manifesteren en Zijn goedertierenheid en milddadigheid openbaren.
Bahá'u'lláh, Bloemlezing LXXXI

Vrije bewerking/vertaling van: www.bahai.org –> What Bahá’is Believe –> The Life of the Spirit –> The Human Soul